oogbol

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

de oogbol
Uitspraak
Woordafbreking
  • oog·bol
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oogbol oogbollen
verkleinwoord oogbolletje oogbolletjes

Zelfstandig naamwoord

oogbol m [1]

  1. het oog zonder de omliggende structuren
    • En zijn linkeroog? Dat lijkt een prima functionerend oog te zijn. Maar binnen een tel wipt Hillen zijn prothese eruit en zie je de schade: een verschrompeld stukje oogbol met een zwart puntje in het midden. Zijn glazen nepoog houdt hij in zijn hand. 'Ik had er eerst een van silliconenshit, daar kon je gewoon mee gooien. Met deze moet je iets voorzichtiger zijn. Ik schuif hem over het resterende deel van mijn oogbol. Alsof je een schoen aandoet.'[2] 
    • Doordat het lemmet net onder zijn oogbol in het gezicht van de man is gekomen, houdt hij wonderwel geen blijvend gezichtsverlies aan het incident over. De man ligt nog wel in het ziekenhuis.[3] 
Afgeleide begrippen
Meroniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen