timmermansoog

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tim·mer·mans·oog
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord timmermansoog timmermansogen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

timmermansoog o [1]

  1. een (goed) timmermansoog hebben: van een persoon dat deze heel goed maten en verhouding kan inschatten
    • De architecten kozen voor een strak ritme van raampartijen, waardoor het gebouw eenzelfde tijdloze monumentaliteit uitstraalt als de Nederlandse grootmeesters Berlage en Dudok. De gele baksteen, subtiel verwerkt in een dambordpatroon, roept de optimistische sfeer op van de interbellumarchitectuur. Met een vleugje nostalgie en een timmermansoog voor traditionele materialen lijkt Neutelings-Riedijk een tijdloze plek te hebben bedacht die de gebruikers en bezoekers een gevoel van verankering en thuiskomen moet geven.[2] 
    • Hier liep niet alleen de voormalige koningin door de westvleugel van het paleis, maar ook de beeldhouwster Beatrix. Hoe zei haar voormalige hoedenontwerper Harry Scheltens dat ook alweer, bijna 20 jaar geleden: ,,Ze heeft een enorm gevoel voor verhoudingen en wat je noemt een echt timmermansoog. Zij heeft vaak eerder dan ik in de gaten dat er met een hoedje iets niet helemaal in orde is.’’[3] 

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 4 SEPTEMBER 2017
  3. Tubantia Jeroen Schmale 22-MAART-2017