ogen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ogen
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van oog met het achtervoegsel -en [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ogen
oogde
geoogd
zwak -d volledig

Werkwoord

ogen [2]

  1. (onovergankelijk) de aanblik hebben van
    Dat oogde beter dan het was.
  2. aandachtig kijken naar, staren naar
Uitdrukkingen en gezegden

lelijk ogen

Hyponiemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

ogen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord oog

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal