ogen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ogen
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van oog met het achtervoegsel -en [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ogen
oogde
geoogd
zwak -d volledig

Werkwoord

ogen [2]

  1. onovergankelijk de aanblik hebben van
    • Dat oogde beter dan het was. 
  2. aandachtig kijken naar, staren naar
Uitdrukkingen en gezegden

lelijk ogen

Hyponiemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

ogen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord oog
     Het was al jaren kurkdroog geweest in Californië, dus ik kon mijn ogen niet geloven toen het opeens uit het niets begon te regenen.[3]
     Waakzaam schoten mijn ogen alle kanten op, speurend naar verborgen slangen in het struikgewas.[3]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. ogen op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. 3,0 3,1 Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

ogen

  1. meervoud van oge


Veluws

Zelfstandig naamwoord

ogen

  1. meervoud van oge