oogkleur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oog·kleur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oogkleur oogkleuren
verkleinwoord oogkleurtje oogkleurtjes

Zelfstandig naamwoord

oogkleur v / m

  1. de kleur die de iris van de ogen van een individu hebben

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be