oogmeting

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Oogmeting met een handbediende refractor (gezien vanaf de kant van de opticien)
Uitspraak
Woordafbreking
  • oog·me·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oogmeting oogmetingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

oogmeting v

  1. het meten van de benodigde brilsterkte
    • Een jonge vrouw ging mij voor naar een kamer die nog leger was dan de winkel. Tijdens de oogmeting wierp ze mij telkens een opbeurende yes toe, of ik de kleine letters nu kon lezen of niet. Yes… yes… De constatering dat mijn ogen opnieuw achteruit waren gegaan kreeg zo echt een positieve dimensie.[1] 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. NRC Auke Kok 18 december 2015