linkeroog

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lin·ker·oog
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord linkeroog linkerogen
verkleinwoord linkeroogje linkeroogjes

Zelfstandig naamwoord

linkeroog o

  1. (anatomie) het oog aan de zijde van waar zich in het lichaam gewoonlijk het hart bevindt
Antoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.