hondenoog

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hon·den·oog
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hondenoog hondenogen
verkleinwoord hondenoogje hondenoogjes

Zelfstandig naamwoord

hondenoog o

  1. de ogen van een hond m.n. de ogen van de hond als huisdier
    • Afgelopen periode ben ik veel dierbaren verloren. In die tijd had ik veel steun aan mijn man, maar ook aan mijn hondjes. Voor Bram en Lynn kwam ik het bed uit en ging ik naar buiten. En als ik verdrietig was? Dan voelden ze dat feilloos aan en kwamen ze bij mij liggen. Echt die lieve hondenogen, die slepen mij overal doorheen." [1] 
  2. de blik van een heel vriendelijk persoon
    • Met trouwe hondenogen kijkt de kleine Pablo achterin de auto in het niets. Een geweldig beeld van vader en zoon door filmmaker Jack Janssen. Zes jaar later ligt de inmiddels 21-jarige Rosario na een veelbewogen carrièrepad langs Swift, Feyenoord, DWS, Ajax, Almere City FC en PSV aardig op koers. Hij krijgt onder de hoede van bondscoach Ronald Koeman de kans zich in het Nederlands elftal te spelen. [2] 


Gangbaarheid


Verwijzingen

  1. De Telegraaf 04 okt. 2014 Mijn huisdier en ik
  2. De Telegraaf VALENTIJN DRIESSEN 10 okt. 2018 ’Ik begreep niet dat ik werd weggestuurd bij Ajax’