oogopslag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oog·op·slag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oogopslag oogopslagen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

oogopslag m

  1. in een ~ : direct, in een zeer korte tijd
    • De EHBO'er overzag de situatie in een oogopslag en begon direct met reanimeren. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.