knipoog

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knip·oog
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord knipoog knipogen
verkleinwoord knipoogje knipoogjes

Zelfstandig naamwoord

knipoog m [1]

  1. teken met een oog om verstandhouding of waardering uit te drukken
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
knipogen

knipoog

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knipogen
    • Ik knipoog. 
  2. gebiedende wijs van knipogen
    • Knipoog! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knipogen
    • Knipoog je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen