Naar inhoud springen

oogcontact

Uit WikiWoordenboek
  • oog·con·tact
enkelvoud meervoud
naamwoord oogcontact
verkleinwoord

hetoogcontacto

  1. (communicatie) een verbinding met iemand hebben door elkaar aan te kijken, het is een vorm van non-verbale communicatie
    • De jongen en het meisje hadden oogcontact in de trein, tijdens hun bruiloftsfeest bleek het letterlijk verliefdheid op het eerste gezicht te zijn. 
    • Aan de overkant van het bad zag ik een jongen met donker, krullend haar. Hij fronste zijn wenkbrauwen en toen ik oogcontact zocht, keek hij met bezorgde blik om zich heen. [1] 
    • Mensen met autisme maken moeilijk oogcontact. 
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[2]
  1. Sandes, David
    De wondermethode 2006 ISBN 9044509543 pagina 21
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be