oogcontact

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oog·con·tact
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oogcontact
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

oogcontact o

  1. (communicatie) een verbinding met iemand hebben door elkaar aan te kijken, het is een vorm van non-verbale communicatie
    • De jongen en het meisje hadden oogcontact in de trein, tijdens hun bruiloftsfeest bleek het letterlijk verliefdheid op het eerste gezicht te zijn. 
    • Aan de overkant van het bad zag ik een jongen met donker, krullend haar. Hij fronste zijn wenkbrauwen en toen ik oogcontact zocht, keek hij met bezorgde blik om zich heen. [1] 
    • Mensen met autisme maken moeilijk oogcontact. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Sandes, David De wondermethode 2006 ISBN 9044509543 pagina 21