vissenoog

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vis·sen·oog
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vissenoog vissenogen
verkleinwoord vissenoogje vissenoogjes

Zelfstandig naamwoord

vissenoog o [1]

  1. het oog van een vis
    • De tentoonstellingen over de gouden eeuw en de walvisvaart zijn sterk op beleving gericht. Een plaatje over de walvisvangst bekijken is nog iets anders dan een walvis binnenlopen, baleinen zien wapperen en het vissenoog op medebezoekers richten. En wie een schilderij uit de gouden eeuw aanraakt, kan er zomaar door toegesproken worden. [2] 
  2. een lens met een extreem korte brandpuntsafstand en daardoor een groot blikveld
    • De foto’s worden gemaakt met een speciale ”vissenooglens”. Roovers: „Met deze bolle lens kan met één klik een gebied van bijna 190 graden worden gefotografeerd. Door twee van die foto’s te combineren, creëren we een panoramabeeld van 360 graden.” [3] 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Reformatorisch Dagblad L. Vogelaar 27-09-2011 Bezoeker Scheepvaartmuseum geënterd en getorpedeerd
  3. Reformatorisch Dagblad Marcel ten Broeke 16-12-2005 Smarts zien wereld door een ”vissenoog”