oogvocht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oog·vocht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oogvocht oogvochten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

oogvocht o [1]

  1. vocht dat aan de buitenkant van het oog zit
    • Googles zusterbedrijf Verily werkt samen met Novartis om een slimme contactlens te ontwikkelen die bloedsuiker meet in het oogvocht van diabetespatiënten. Zo’n lens zou in de plaats kunnen komen van andere manieren om bloedsuikers te meten, bijvoorbeeld van de bloedprikken die nu gebruikelijk zijn.[2] 
  2. vocht dat inwendig in het oog zit het kamervocht
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Wouter van Noort 7 augustus 2016