facetoog

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Facetoog en roltong van een vlinder.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fa·cet·oog
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord facetoog facetogen
verkleinwoord facetoogje facetoogjes

Zelfstandig naamwoord

facetoog o

  1. (biologie) een oog voorzien van een groot aantal naast elkaar gelegen lenzen, de facetten
    • Veel insecten hebben facetogen. 

Gangbaarheid

42 % van de Nederlanders;
51 % van de Vlamingen.

Meer informatie