oogholte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

MRI van de orbia
Uitspraak
Woordafbreking
  • oog·hol·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oogholte oogholten<>oogholtes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

oogholte v [1]

  1. opening in de schedel waarin het oog gelegen is.
    • Op een scan van zijn hoofd ontdekten de dokters het potlood, dat van de voorste kaakholte tot de achterste keelholte reikte. De wand van zijn kaakholte was doorboord en een oogholte was verwond.[2] 
    • Hadden de deftige demonstranten van Billionaires for Bush geen last van de politie? Central Park was toch in nota bene drie rechterlijke uitspraken tot verboden gebied verklaard? Fred Grotegeld, een bolhoed op zijn hoofd, een monocle in een oogholte: 'Helemaal niet. Ze zijn hier op onze uitnodiging om het grauw op afstand te houden.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Volkskrant 28 mei 2013 Jongen leefde jarenlang met potlood in hoofd
  3. Volkskrant Diederik van Hoogstraten en Jan Tromp 30 augustus 2004, Het monster Bush moet verjaagd