pupil

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Eye scheme mulitlingual-nocircles.svg
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
oog

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pu·pil
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘minderjarige onder voogdij’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1643 [1]
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘oogappel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord pupil pupillen
verkleinwoord pupilletje pupilletjes

Zelfstandig naamwoord

pupil v/m

  1. (onderwijs) leerling
    • Hij liet zijn pupillen niet merken dat hij enigszins van zijn stuk was. 
  2. (anatomie) opening in het midden van de iris in het oog
    • Zijn pupillen vernauwden zich toen hij werd blootgesteld aan het felle licht. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Turks

Woordafbreking
  • pu·pil
enkelvoud meervoud
nominatief   pupil     pupiller  
genitief   pupilin     pupillerin  
datief   pupile     pupillere  
accusatief   pupili     pupilleri  
locatief   pupilde     pupillerde  
ablatief   pupilden     pupillerden  

Zelfstandig naamwoord

pupil

  1. (anatomie) pupil
Synoniemen