oogglas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oog·glas
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oogglas oogglazen
verkleinwoord oogglaasje oogglaasjes

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.

Zelfstandig naamwoord

oogglas o

  1. (optica) een bril voor één oog
    • Zijn grootvader droeg nog een oogglas aan een kettinkje. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders
85 % van de Vlamingen.

Meer informatie