lens

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Eye scheme mulitlingual-nocircles.svg
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
oog

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lens
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lens lenzen
verkleinwoord lensje lensjes

Zelfstandig naamwoord

lens v/m [2]

  1. (optica) een geslepen stuk transparant materiaal dat lichtstralen breekt [3]
  2. (fotografie) een stelsel van lenzen(1) of lensdelen dat op een camera zit zodat er een scherp beeld op de film of CCD wordt geprojecteerd
    • Met welke lens ga je die foto nemen? 
  3. (optica) een zeer kleine glazen of kunststof lens(1) die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril.
    • Lenzen staan je veel beter dan een bril! 
  4. (verouderd) een langgerekt wapen waarmee walvissen doorstoken werden [4]
  5. (anatomie) deel van het oog dat de lichtstralen breekt
  6. pen, spie [5]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen lens lenzer lenst
verbogen lenze lenzere lenste
partitief lens lenzers -

Bijvoeglijk naamwoord

lens [6] [7] [8]

  1. lek, lam
  2. leeg
    • Als je niet normaal doet, dan sla ik je lens. 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
lensen

lens

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lensen
    • Ik lens. 
  2. gebiedende wijs van lensen
    • Lens! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lensen
    • Lens je? 

Werkwoord

vervoeging van
lenzen

lens

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lenzen
    • Ik lens. 
  2. gebiedende wijs van lenzen
    • Lens! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lenzen
    • Lens je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Woordenboek der Nederlandse taal
  4. Woordenboek der Nederlandse taal
  5. Woordenboek der Nederlandse taal
  6. Woordenboek der Nederlandse taal
  7. Woordenboek der Nederlandse taal
  8. Woordenboek der Nederlandse taal


Engels

Woordherkomst en -opbouw
  • van lens "linze", vanwege de overeenkomst in vorm

Zelfstandig naamwoord

lens

  1. (optica) lens
  2. (fotografie) lens
  3. lens, contactlens


Latijn

Woordafbreking
  • lens

Zelfstandig naamwoord

lens v

  1. (plantkunde) (voeding) linze
Overerving en ontlening
Verbuiging

Zelfstandig naamwoord

lens m

  1. (dierkunde) neet
Verbuiging