glee

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • glee
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord glee gleeën
verkleinwoord gleetje gleetjes

Zelfstandig naamwoord

glee v / m [2]

  1. dunne, gesleten plek in textiel


Gangbaarheid

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
Woordafbreking
  • glee
Woordherkomst en -opbouw
  • [1]: Afkomstig van de Oudengelse woorden "gliu" en "gliw".
  • [2]; Afkomstig van het Oudengelse woord "gligg".
enkelvoud meervoud
glee -

Zelfstandig naamwoord

glee

  1. vreugde, vrolijkheid
  2. (muziek) een bepaalde oude Engelse vorm van koorgezang
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • [1]: to dance with glee
een vreugdedans maken
  • [1]: to shout with glee
juichen
  • [1]: to squeal with glee
van vreugde juichen


Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • glee

Bijwoord

glee

  1. meteen (zonder te wachten), onmiddellijk
    «Nau glee bissel iwwer mich.»
    Nu meteen een beetje over mij.
Verbuiging
  • gleene: mei gleene Soh, en gleene Zeiding
  • gleener: en neier gleener Deitscher, es macht nix as sie gleener sin
  • gleenere: en gleenere Raad
Opmerkingen