egel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een egel.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • egel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘zoogdiertje met stekels’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • (erfwoord): Middelnederlands ēghel, ontwikkeld uit Oergermaans *egila-, bij Indo-Europees *h₁eǵʰ-i-,[2] waartoe ook Litouws ežỹs, Pools jeż, Oudgrieks ekhînos en Armeens ozni behoren.[3] Evenals Nederduits Egel, Duits Igel en Fries ychel.
enkelvoud meervoud
naamwoord egel egels
verkleinwoord egeltje egeltjes

Zelfstandig naamwoord

egel m

  1. (dierkunde), (zoogdieren) Erinaceus europaeus op Wikispecies, een klein insectenetend zoogdier waarvan de rugzijde met stekels bezet is
    • Ik vind egels erg lief. 
    • De stekels van een egel kunnen niet voorkomen dat veel egels doodgereden worden in het verkeer. 
Anagrammen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen