egel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een egel.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • egel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord egel egels
verkleinwoord egeltje egeltjes

Zelfstandig naamwoord

egel m

  1. (dierkunde), (zoogdieren) Erinaceus europaeus op Wikispecies, een klein insectenetend zoogdier waarvan de rugzijde met stekels bezet is
    • Ik vind egels erg lief. 
    • De stekels van een egel kunnen niet voorkomen dat veel egels doodgereden worden in het verkeer. 
Anagrammen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl