gul

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gul
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gul guller gulst
verbogen gulle gullere gulste
partitief guls gullers -

Bijvoeglijk naamwoord

gul

  1. vrijgevig.
    • Ook dit jaar was deze donateur weer heel gul. 
  2. hartelijk.
    • Hij toonde een gulle lach. 
Antoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord gul gullen
verkleinwoord gulletje gulletjes

Zelfstandig naamwoord

gul v/m

  1. (vissen) kabeljauw tot een lengte van ca. 60 cm
    • Ik heb een 'gulletje gevangen. 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
gullen

gul

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gullen
    • Ik gul. 
  2. gebiedende wijs van gullen
    • Gul! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gullen
    • Gul je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Deens

Bijvoeglijk naamwoord

gul

  1. (kleur) geel


Noors

Woordafbreking
  • gul
Naar frequentie 4961

Werkwoord

gul

  1. gebiedende wijs van gule

Zelfstandig naamwoord

gul

  1. verouderde spelling of vorm van gule van vóór 2005 (betekenis: windje)
(verouderd) onbepaalde vorm nominatief enkelvoud van gul, m / v


Nynorsk

Woordafbreking
  • gul

Werkwoord

gul

  1. gebiedende wijs van gule
Schrijfwijzen


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • gul
stellend vergrotend overtreffend
gul
gulare
gulast

Bijvoeglijk naamwoord

gul

  1. (kleur) geel
Afgeleide begrippen