roodgeel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rood·geel
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen roodgeel roodgeler roodgeelst
verbogen roodgele roodgelere roodgeelste
partitief roodgeels roodgelers -

Bijvoeglijk naamwoord

roodgeel [1]

  1. mengkleur van rood en geel: oranjeachtig
  2. (sport) clubkleuren van sommige sportculbs
    • Voshaar is geen onbekende op sportpark Peuverweide. Voor zijn seizoen bij MVV’29 speelde hij al drie jaar in het roodgeel. [2] 
    • Daarnaast kan voortaan ook ad hoc de brug kleur krijgen bij een bijzondere gebeurtenis, zo meldt wethouder Frits Rorink (CDA). Rorink zinspeelt bijvoorbeeld op een roodgeel feestje van Go Ahead Eagles. ,,Mooi dat we nu op actualiteiten kunnen inspelen, bijvoorbeeld als Go Ahead Eagles kampioen wordt.‘’ Dat zal dit seizoen niet meer gebeuren, of de Tukker moet doelen op mogelijk promotiesucces in de komende play-offs met als inzet een plek in de eredivisie. [3] 

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.

Verwijzingen