zachtgeel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zacht·geel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zachtgeel -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zachtgeel o

  1. een lichte gele kleur
    • Het zachtgeel hiervan valt niet echt op. 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zachtgeel zachtgeler zachtgeelst
verbogen zachtgele zachtgelere zachtgeelste
partitief zachtgeels zachtgelers -

Bijvoeglijk naamwoord

zachtgeel

  1. een lichtgele kleur hebbend
    • Hij koos voor een zachtgele kleur. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.