witgeel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
Woordafbreking
  • wit·geel
enkelvoud meervoud
naamwoord witgeel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

witgeel o

  1. (kleur) een erg lichte kleur geel die dicht tegen wit aan zit
    • Het witgeel van deze afbeelding steekt scherp af tegen het blauw. 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen witgeel witgeler witgeelst
verbogen witgele witgelere witgeelste
partitief witgeels witgelers -

Bijvoeglijk naamwoord

witgeel

  1. witgeel hebbend als kleur
    • Hij rijdt in een witgele auto. 
Anagrammen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be