hel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hel hellen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

hel v/m [3]

  1. een plek waar de ziel van daartoe veroordeelde overledenen naar toe zou gaan [4]
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
zorgen dat iets met heel veel moeite en op het laatste moment toch lukt terwijl het daarvoor dreigde te mislukken
Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen hel heller helst
verbogen helle hellere helste
partitief hels hellers -

Bijvoeglijk naamwoord

hel [6] [7]

  1. doordringend en helder van toon (van geluiden)
  2. intensief licht uitstralend (van kleuren etc.)
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
hellen

hel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hellen
    • Ik hel. 
  2. gebiedende wijs van hellen
    • Hel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hellen
    • Hel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • hel
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord heill
Naar frequentie 1130
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud hel helere helest
o enkelvoud helt
meervoud hele
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
hele helere heleste

Bijvoeglijk naamwoord

hel

  1. heel, onbeschadigd
    «Etter eksplosjonen var det ikke en hel rute i huset.»
    Na de explosie was er geen hele ruit meer in het huis.
  2. puur, ongemengd, heel
    «Mange av dem har forpliktet seg til å ha fårikål på menyen hele oktober.»
    Velen van hen hebben zich ertoe verbonden om de hele maand oktober schapenvleesstoofpotje op het menu te hebben.
  3. compleet, volledig, heel
    «Jeg har ikke røkt på tre hele dager.»
    Ik heb drie hele dagen niet gerookt.
Schrijfwijzen

Werkwoord

hel

  1. gebiedende wijs van hele
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hel     -     -     -  

Zelfstandig naamwoord

hel, o

  1. geheel
    «To halve er en hel
    Twee helften zijn één geheel.


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • hel

Werkwoord

hel

  1. gebiedende wijs van hela
Schrijfwijzen

Werkwoord

hel

  1. gebiedende wijs van hele
Schrijfwijzen


Papiamento

Bijvoeglijk naamwoord

hel

  1. (kleur) geel


Pools

Periodiek systeem der elementen (pol)
H He
Li Be B C N O F Ne
Na Mg Al Si P S Cl Ar
K Ca Sc Ti V Cr Mn Fe Co Ni Cu Zn Ga Ge As Se Br Kr
Rb Sr Y Zr Nb Mo Tc Ru Rh Pd Ag Cd In Sn Sb Te I Xe
Cs Ba * Hf Ta W Re Os Ir Pt Au Hg Tl Pb Bi Po At Rn
Fr Ra ** Rf Db Sg Bh Hs Mt Ds Rg Cn Uut Uup Uus Uuo
* La Ce Pr Nd Pm Sm Eu Gd Tb Dy Ho Er Tm Yb Lu
** Ac Th Pa U Np Pu Am Cm Bk Cf Es Fm Md No Lr
Uitspraak
Woordafbreking
  • hel

Zelfstandig naamwoord

hel m

  1. (scheikunde), (element) helium
Verbuiging