bed

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bed bedden
verkleinwoord bedje bedjes

Zelfstandig naamwoord

bed o

  1. een meubel gemaakt om in te slapen
    Nadat zij haar kinderen naar bed had gebracht, had ze nog een paar uur om te werken.
    Op het bed ligt een matras, een laken, een dekbed en een kussen.
  2. (plantkunde) afgeperkte en/of verhoogde plaats in een tuin, waarop bloemen of gewassen gekweekt worden
  3. (waterstaat) bedding van een rivier/ onderlaag van een weg
  4. (medisch) plaats in een verpleeginrichting
    dit instituut heeft een capaciteit van 100 bedden
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • naar bed gaan
gaan slapen
  • met iemand naar bed gaan
met iemand geslachtsgemeenschap hebben
  • ergens midden in bed liggen
ergens heel belangrijk / geliefd zijn
Jan ligt bij de familie de Boer midden in bed!
Jan is heel belangrijk / geliefd bij de familie de Boer!
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord bed bedde

Zelfstandig naamwoord

bed

  1. bed


Engels

enkelvoud meervoud
bed beds

Zelfstandig naamwoord

bed

  1. bed