Naar inhoud springen

bedden

Uit WikiWoordenboek
  • bed·den
  • bed met de uitgang -en

debeddenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bed
     Alle bedden in het huis waren bezet en sommigen moesten hun bed delen met broer, zus of nicht.[1]
     's Ochtends was hij wakker geworden op de sprei van een van de bedden, met naast hem een vrouw - ze heette Laetitia - die nog diep in slaap was.[2]
     Onbewust keek hij direct naar de twee ligbedden naast hem waarop hij min of meer de tweeling verwachtte. De bedden waren echter leeg.[3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bedden
bedde
gebed
zwak -d volledig

bedden

  1. onovergankelijk (verouderd) bed(den) opmaken
  2. overgankelijk (verouderd) in bed leggen
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]
  1. Teuntje de Haan
    “Een muur van water” (2018), Em. Querido's Uitgeverij op Wikipedia, ISBN 9789021409375
  2. Jessie Burton (vert. Marja Borg)
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  3. All-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht op Wikipedia, ISBN 90-229-9182-2
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

bedden

  1. meervoud van bedde

bedden

  1. meervoud van bedde