tuinieren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tui·nie·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
tuinieren
tuinierde
getuinierd
zwak -d volledig

Werkwoord

tuinieren

  1. (tuinieren) het op recreatieve wijze onderhouden van en werken in de tuin.
    • Wie van planten houdt wordt aanbevolen te gaan tuinieren. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie