meubel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • meu·bel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord meubel meubelen, meubels
verkleinwoord meubeltje meubeltjes

Zelfstandig naamwoord

meubel o

  1. een voorwerp dat behoort tot de inrichting van een kamer, zoals een bank, stoel, tafel, kast, bed et cetera
    Er stonden zo veel meubels in de winkel dat hij niet wist welke hij moest uitzoeken.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl

Werkwoord

vervoeging van
meubelen

meubel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meubelen
    Ik meubel.
  2. gebiedende wijs van meubelen
    Meubel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meubelen
    Meubel je?