Naar inhoud springen

leger

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: léger
  • le·ger
enkelvoud meervoud
naamwoord leger legers
verkleinwoord legertje legertjes

hetlegero

  1. (militair) een militaire strijdmacht
    • Het leger trok van Spanje naar Nederland. 
     Het Afrikaanse leger staat op het punt Spanje binnen te trekken om ons te steunen bij onze taak het onwaardige bewind te verpletteren dat het op zich heeft genomen om Spanje te vernietigen en te veranderen in een kolonie van Moskou.[3]
     Het leger was ingekrompen en de uitrusting grotendeels verouderd.[4]
  2. (dierkunde) een ondiep kuiltje in het veld of onder begroeiing waar een haas, vos of hert in ligt

leger

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van leeg
     ' In haar hoofd ziet ze de leger wordende geldkist van Johannes, de opgestapelde, zwarter wordende suiker op de bovenste verdieping van zijn pakhuis.[5]
vervoeging van
legeren

leger

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van legeren
    • Ik leger. 
  2. gebiedende wijs van legeren
    • Leger! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van legeren
    • Leger je? 
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]
  • le·ger
Naar frequentie 3288

leger

  1. nominatief onbepaald mannelijk meervoud van lege
  • le·ger

leger

  1. nominatief onbepaald vrouwelijk meervoud van lege