laag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • laag
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘hoeveelheid die ergens tussen of boven ligt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285 [1]
  • In de betekenis van ‘hinderlaag’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [2]
  • In de betekenis van ‘niet hoog’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord laag lagen
verkleinwoord laagje laagjes

Zelfstandig naamwoord

laag v/m

  1. iets dat zich in twee richtingen uitstrekt maar in de derde een beperkte dikte heeft
    • Deze laag bevat opvallend veel iridium, dankzij de meteorietinslag van 65 miljoen jaar geleden. 
  2. (sociologie) sociale klasse
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen laag lager laagst
verbogen lage lagere laagste
partitief laags lagers -

Bijvoeglijk naamwoord

laag

  1. fysiek niet ver boven iets anders zijn
  2. niet vergevorderd zijn in een rangorde of volgorde
  3. (geluid) met een klein aantal trillingen per tijdseenheid
  4. met een beperkt aanzien
  5. gemeen
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord laag lae

Zelfstandig naamwoord

laag

  1. laag
stellend attributief vergrotend overtreffend
laag lae laer laagste

Bijvoeglijk naamwoord

laag

  1. laag