pat

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pat
Woordherkomst en -opbouw
remise (wit aan zet)
o enkelvoud meervoud
naamwoord pat patten
verkleinwoord patje patjes

Zelfstandig naamwoord

pat o

  1. (schaak) stand op het bord waarbij sprake is van remise doordat een speler geen zet meer kan doen zonder dat zijn koning daardoor schaak komt te staan
    • De partij eindigde in pat. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

v/m enkelvoud meervoud
naamwoord pat patten
verkleinwoord patje patjes

Zelfstandig naamwoord

1. reep stof met een knoopsgat: vier patten aan bretels
3. gekleurd strookje stof op een uniform (rode pat op de kraag van een Duitse artillerist)
4. houder die het wiel in de vork houdt

pat v/m

  1. (kleding) reep stof met een knoopsgat aan het uiteinde en met het andere uiteinde bevestigd aan het kledingstuk
    • doorknoopsluiting met verstelbare patten 
  2. (kleding) (verouderd) klep, bijvoorbeeld over een zak
    • (...) de patten der zakken waren, door den tyd, wat besmeurt, (...) [5]
  3. (kleding) (militair) gekleurd strookje stof op een uniform als achtergrond van een onderscheidingsteken, in het bijzonder een bies op de kraag
    • Op de kraag worden 5 hoekige emblemen als patten aangebracht die per dienstvak de kleur hebben zoals op de voormalige bies. [6]
  4. (fietsen) een van beide houders die het wiel in de vork houden, deel van het frame of zelfstandig te bevestigen onderdeel
    • Zorg dat het wiel goed in de patten zit! 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend
onverbogen pat
verbogen -

Bijvoeglijk naamwoord

pat

  1. (schaak) alleen predicatief in een toestand waarin een speler geen enkele zet meer kan doen zonder dat zijn koning daardoor schaak komt te staan
    • Dit spel staat pat en dat betekent remise. 
Vertalingen

Gangbaarheid

43 % van de Nederlanders;
49 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord pat patte


Woordafbreking
  • pat

Zelfstandig naamwoord

pat

  1. (schaak) pat; stand op het bord waarbij sprake is van remise doordat een speler geen zet meer kan doen zonder dat zijn koning daardoor schaak komt te staan


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
pat pats

Zelfstandig naamwoord

pat

  1. klopje, tikje
  2. brokje, stukje klompje, klontje
  3. geklop
stellend vergrotend overtreffend
pat patter pattest

Bijvoeglijk naamwoord

pat

  1. geschikt, passend
  2. ingestudeerd
  3. luchtig, te gemakkelijk
  4. gereed, klaar, paraat
vervoeging
onbepaalde wijs to  pat 
he/she/it  pats 
verleden tijd  patted 
voltooid
deelwoord
 patted 
onvoltooid
deelwoord
 patting 
gebiedende wijs  pat 

Werkwoord

to pat

  1. overgankelijk een klopje/tikje geven
  2. overgankelijk platkloppen
  3. overgankelijk aaien, strelen
  4. onovergankelijk huppelen




Frans

Zelfstandig naamwoord

pat m

  1. patstelling
Overerving en ontlening


Elamitisch

Zelfstandig naamwoord

pat

  1. voet


Lets

Partikel

pat

  1. zelfs


Pampangan

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

pat

  1. (gereedschap) beitel

Meer informatie


Pools

Uitspraak
Woordafbreking
  • pat
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Italiaanse patto

Zelfstandig naamwoord

pat monbezield

  1. (schaak) pat; stand op het bord waarbij sprake is van remise doordat een speler geen zet meer kan doen zonder dat zijn koning daardoor schaak komt te staan
  2. (figuurlijk) patstelling, impasse
Gelijkklinkende woorden
Synoniemen
  1. impas
Antoniemen
  1. mat
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Meer informatie


Roemeens

Zelfstandig naamwoord

pat o

  1. bed


Slowaaks

Uitspraak
Woordafbreking
  • pat
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Italiaanse patto

Zelfstandig naamwoord

pat monbezield

  1. (schaak) pat; stand op het bord waarbij sprake is van remise doordat een speler geen zet meer kan doen zonder dat zijn koning daardoor schaak komt te staan
Afgeleide begrippen

Meer informatie


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • pat
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Italiaanse patto, via het Duitse Patt

Zelfstandig naamwoord

pat monbezield

  1. (schaak) pat; stand op het bord waarbij sprake is van remise doordat een speler geen zet meer kan doen zonder dat zijn koning daardoor schaak komt te staan
    «Partie skončila po dvaceti tazích patem
    De partij eindigde na twintig zetten in een pat.
  2. (figuurlijk) patstelling, impasse
Verbuiging
Schrijfwijzen
Synoniemen
  1. remíza v
  2. slepá ulička v
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Meer informatie

Verwijzingen

Zelfstandig naamwoord

pat

  1. genitief meervoud van pata