bedstede

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

bedstede
Uitspraak
Woordafbreking
  • bed·ste·de
Woordherkomst en -opbouw
  • plaats voor bed
enkelvoud meervoud
naamwoord bedstede bedsteden
bedstedes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bedstede v/m [1]

  1. kastachtige ruimte waarin men kan slapen
    • - De inrichting was aanvankelijk wat vol, „dus ik heb mijn invloed doen gelden”, zegt ze ironisch. Overbodige kussentjes en vaasjes haalde ze weg, stoelen werden verzet. „Ik voel me er thuis. En ik vind het knus om in een bedstede te slapen. Met de deuren dicht is het een intiem holletje. Het roept herinneringen op aan mijn oude huis op Texel. Daar sliep ik ook in een bedstede.”[2] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Carlijn Vis 1 april 2017
  3. NRC