tuinbed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tuin·bed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tuinbed tuinbedden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tuinbed o [1]

  1. duidelijk afgerenst stuk in de tuin waarin bepaalde planten en bloemen worden geteelt
    • Dat we volgend jaar toch wat beter ons best moesten doen, zei de opzichter van het tuinencomplex. Het was ons eerste jaar in een volkstuin en ik geef toe: we hadden vooral onkruid en slakken gekweekt. Hij, daarentegen, was een man met strakke tuinbedden en een weegschaal, waarmee hij minutieus berekende hoeveel kilo’s oogst elk zaadje opleverde. [2] 
  2. een ligstoel voor in de tuin
    • Door het wandelen spreekt hij allerlei 'geweldige mensen' en komt hij op nieuwe ideeën. Zo kwam hij een aantal jaren geleden bij het wandelen op het idee van de fautuin: een elektronisch verstelbaar tuinbed. "Als iets me bezighoudt, dan laat ik het ook niet meer los." En dus vroeg hij er patent op aan en bracht de fautuin op de markt. "Google maar", zegt hij. "Dat ding bestaat." [3] 
    • En Pagoda is een comfortabel tuinbed voor twee personen. Door de losse doeken op verschillende manieren te knopen, kun je schaduw of geborgenheid creëren, in de hoogte of langs de zijkanten. Decoratieve kussens maken het tuinbed extra uitnodigend. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Standaard 20 JUNI 2016 Kaat Schaubroeck Oogst je geluk
  3. Tubantia Arjan te Bogt 21-06-17 Pelgrim uit Westerhaar is met twee onderbroeken op weg naar Rome
  4. De Standaard 25 JUNI 2005 --door chris meplon Interieurdesign voor buiten