plantbed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

plantbed
Uitspraak
Woordafbreking
  • plant·bed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord plantbed plantbedden
verkleinwoord plantbedje plantbedjes

Zelfstandig naamwoord

plantbed o [1]

  1. afgegrensd deel van een tuin of akker waarin men jonge planten laat groeien

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.


Verwijzingen