dubbelbed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dub·bel·bed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dubbelbed dubbelbedden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dubbelbed o

  1. bed geschikt voor twee volwassenen
    • 'Maar het is te duur, te omslachtig voor een bestaand gebouw. We zijn gedwongen traditioneler te denken. Maar wel in kamers die een nieuwe standaard zetten voor de hotelgroep. Zo ingericht dat we van kamers waar nu met moeite een enkel bed past, een dubbelbed staat. En we gaan die nieuwe kamers zo milieuvriendelijk mogelijk maken.' [1] 
    • Omdat zakelijke passagiers tijdens de vlucht zoveel mogelijk willen ontspannen, heeft Branson een aantal Airbusvliegtuigen besteld die worden uitgerust met slaapkamers, een dubbelbed en een ligbad. [2] 
    • Eindelijk, een blad dat eenvoud aanprijst op de cover. Eenvoud in interieur staat op Seasons, `bron voor buitenleven'. Na lang zoeken blijkt de eenvoud te slaan op de aankleding van een hotel in Zweden. Eén telefoontje leert dat in de Wreta Gestgifveri één nacht voor twee mensen in een dubbelbed, inclusief ontbijt, circa ƒ400 kost. [3] 
Synoniemen
Antoniemen


Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[4]


Verwijzingen

  1. Tubantia Herman Stil 23-05-11 Grootscheepse renovatie van Krasnapolsky
  2. NRC Jan Libbenga 19 juni 1999 Zij die graag tegen windmolens vechten
  3. NRC 28 december 2000 Bladen
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be