slaapbed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slaap·bed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord slaapbed slaapbedden
verkleinwoord slaapbedje slaapbedjes

Zelfstandig naamwoord

slaapbed o

  1. bed waarin men kan slapen
    • En er is een bed! Het staat in een nis, ingebouwd op een manier die aan een schip of een klooster doet denken. Het ligt beschut onder een houten tongewelf, met aan het eind een kastje en een middeleeuws aandoende troonzetel. Een koperen schemerlamp maakt duidelijk dat dit geen slaapbed is maar een leesbed. Hier te mogen liggen lezen en kijken naar de meubels en het behang, wat zou dat een voorrecht zijn. [1] 
    • Het Aarschotse meisjeskoor Scala heeft een grote tourbus gekocht. Aanleiding voor de aankoop zijn de hoogoplopende transportkosten tijdens buitenlandse verplaatsingen. De bus beschikt over 20 slaapbedden en 36 zitplaatsen. Het interieur werd aangepast aan de wensen van het Scala-team. [2] 

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. NRC Ileen Montijn 2 februari 1994 Ontheemde stoelen
  2. De Standaard 30/10/2009 door bvb Scala koopt eigen tourbus