kussen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kus·sen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘zoenen’ voor het eerst aangetroffen in 1100 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord kussen kussens
verkleinwoord kussentje kussentjes

Zelfstandig naamwoord

kussen o

  1. een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
    • Ik wil graag een zacht kussen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen


stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kussen
kuste
gekust
zwak -t volledig

Werkwoord

kussen [3]

  1. overgankelijk een kus geven
    • Na het uitspreken van het jawoord mocht hij de bruid kussen. 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Zelfstandig naamwoord

kussen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kus

Verwijzingen