paarsrood

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • paars·rood
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord paarsrood
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

paarsrood o

  1. (kleur) een kleur tussen rood en paars
    • Heeft u die ook in het paarsrood? 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen paarsrood paarsroder paarsroodst
verbogen paarsrode paarsrodere paarsroodste
partitief paarsroods paarsroders -

Bijvoeglijk naamwoord

paarsrood

  1. (kleur) de kleur paarsrood hebbend
    • Hij rijdt in een paarsrode auto. 
Verwante begrippen
Anagrammen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.