dag

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dag
enkelvoud meervoud
naamwoord dag dagen
verkleinwoord dagje, daagje dagjes, daagjes

Zelfstandig naamwoord

dag m

  1. (tijdseenheid) tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn eigen as draait (voor de aarde 24 uur)
    Neem driemaal per dag deze pillen en u bent zo weer op de been.
  2. tijd tussen zonsop- en zonsondergang.
    Op bepaalde tijdstippen van de dag is de kans op verbranding groter dan op andere.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • aan de dag brengen
    • bekendmaken
  • betere dagen gekend hebben
    • in slechte staat zijn
  • dag en nacht
    • voortdurend
  • dag in, dag uit
    • voortdurend
  • dezer dagen
    • tegenwoordig
  • goed voor de dag komen
    • een goede indruk maken
  • om de andere dag
    • telkens twee dagen later
  • voor dag en dauw
    • zeer vroeg
  • voor de dag komen
    • opduiken
Vertalingen

Tussenwerpsel

  1. ontmoetingsgroet
    Dag. Ik ben Jan.
  2. afscheidsgroet
    Ik moet gaan. Dag.
Synoniemen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • zeg maar dag met je handje
    • vergeet het maar
Vertalingen

Meer informatie


Oudnederlands

enkelvoud meervoud
nominatief dag daga
genitief dages dago
datief dage dagon
accusatief dag daga

Zelfstandig naamwoord

dag m

  1. dag



Afrikaans

enkelvoud meervoud
dag dae
Woordafbreking
  • dag

Zelfstandig naamwoord

dag

  1. dag (24 uur).
  2. dag (van zonsop- tot zonsondergang).

Tussenwerpsel

dag

  1. dag (ontmoetingsgroet).
  2. dag (afscheidsgroet).


Zweeds

Woordafbreking
  • dag

Zelfstandig naamwoord

dag g

  1. dag (24 uur).
  2. dag (van zonsop- tot zonsondergang).
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   dag     dagen     dagar     dagarna  
genitief   dags     dagens     dagars     dagarnas  
Teruggeplaatst van "http://nl.wiktionary.org/wiki/dag"
Persoonlijke instellingen