week

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • week
enkelvoud meervoud
naamwoord week weken
verkleinwoord weekje weekjes

Zelfstandig naamwoord

week v/m

  1. tijdseenheid van 7 dagen, meestal beginnend op maandag of zondag.
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord week
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

week o

  1. een week gedeelte.
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen week weker weekst
verbogen weke wekere weekste

Bijvoeglijk naamwoord

week

  1. zonder weerstandsvermogen of veerkracht.
  2. gevoelig voor emoties.
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
weken

week

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van weken
    Ik week.
  2. gebiedende wijs van weken
    Week!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van weken
    Week je?



Engels

enkelvoud meervoud
week weeks

Zelfstandig naamwoord

week

  1. week (tijdseenheid van 7 dagen).
Persoonlijke instellingen