middag
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- mid·dag
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | middag | middagen |
| verkleinwoord | middagje | middagjes |
Zelfstandig naamwoord
middag m
- (tijdrekening) het midden van de dag, 12.00
- In het hele taalgebied verwijst middag naar het midden van de dag, het middaguur.
- (tijdrekening) het gedeelte van de dag tussen 12.00 en 18.00 uur
- In de middag zijn de meeste mensen nog aan het werk.
- (figuurlijk) het midden van het leven
Synoniemen
- [1] noen
Antoniemen
- [2] morgen, ochtend, voormiddag
Afgeleide begrippen
- [1] middagmaal, middagpauze, middaguur, namiddag
- [2] nanoen, namiddag
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- [3] de middag van het leven
de middelbare leeftijd
Vertalingen
1. het midden van de dag, 12.00
2. het gedeelte van de dag tussen 12.00 en 18.00 uur
Noors
Uitspraak
Woordafbreking
- mid·dag
Woordherkomst en -opbouw
Zelfstandig naamwoord
middag m
- middag [1]
Verbuiging
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | middag | middagen | middager | middagene |
| genitief | middags | middagens | middagers | middagenes |
Afgeleide begrippen
Nynorsk
Uitspraak
Woordafbreking
- mid·dag
Woordherkomst en -opbouw
Zelfstandig naamwoord
middag m
- middag [1]
Verbuiging
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | middag | middagen | middagar | middagane |
| genitief | ||||