seizoen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: seizoen (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland, Limburg): /sɛɪ̯.ˈzun/
- (Vlaanderen, Brabant): /sɛː.ˈzun/, /sɛ.ˈzun/
Woordafbreking
- sei·zoen
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig van het Franse woord saison.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | seizoen | seizoenen |
| verkleinwoord | seizoentje | seizoentjes |
Zelfstandig naamwoord
seizoen o
- (tijdrekening), (eenheid) één van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt, en gekenmerkt wordt door astronomische en klimatologische eigenschappen
- een jaarlijks terugkerende periode
Synoniemen
- [1] jaargetijde
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
| eenheden van tijd in het Nederlands (nld) |
|---|
| yoctoseconde • zeptoseconde • attoseconde • femtoseconde • picoseconde • nanoseconde • microseconde • milliseconde • centiseconde • deciseconde • seconde • decaseconde • hectoseconde • kiloseconde • megaseconde • gigaseconde • teraseconde • petaseconde • exaseconde • zettaseconde • yottaseconde |
| seconde • minuut • kwartier • uur • dag / etmaal / nychthemeron • week • decade • maand / maanmaand • kwartaal / trimester / jaargetijde / seizoen • tertaal • semester • jaar / annum • lustrum • decennium • generatie • eeuw / hectoannum • millennium / kiloannum • mega-annum • giga-annum |
Vertalingen
1. één van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt
2. een jaarlijks terugkerende periode
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.