dagelijks

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • da·ge·lijks

Bijvoeglijk naamwoord

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen dagelijks
verbogen dagelijkse

dagelijks

  1. iedere dag voorkomend: ons dagelijks brood.

Bijwoord

dagelijks

  1. iedere dag; hij leest dagelijks de krant.
Vertalingen
Verwante begrippen
Persoonlijke instellingen