zondag
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zon·dag
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zondag | zondagen |
| verkleinwoord | zondagje | zondagjes |
Zelfstandig naamwoord
zondag m
- (tijdrekening), (dag) een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
- Zondag is de tweede dag van het weekend.
Gelijkklinkende woorden
Afgeleide begrippen
- zondagavond, zondagbijlage, zondagdienst, zondagmiddag, zondagmorgen, zondagnacht, zondagochtend, zondags, zondagsarbeid, zondagsavonds, zondagsblad, zondagsdienst, zondagseditie, zondagsgewaad, zondagsgezicht, zondagsheiliging, zondagskind, zondagskleed, zondagskostuum, zondagskrant, zondagsletter, zondagsmaal, zondagsmiddags, zondagsmis, zondagsmorgens, zondagspak, zondagsplicht, zondagspubliek, zondagsrijder, zondagsrust, zondagsschilder, zondagsschool, zondagssluiting, zondagsviering, zondagswerk, Zondagswet, zondagvoetbal
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- vanaf zondag
- zondag aan zondag
Vertalingen
1. een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.