dagen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • da·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dagen
daagde
gedaagd
zwak -d volledig

Werkwoord

dagen

  1. (onpersoonlijk) dag worden
    Het daagde al in het oosten toen hij eindelijk in slaap viel.
  2. (overgankelijk) (juridisch) dagvaarden: de opdracht geven op een bepaalde dag voor het hof te verschijnen
    Hij werd voor de rechtbank gedaagd.
  3. (onovergankelijk) beginnen te beseffen, beginnen bewust te worden
    Toen begon er iets bij hem te dagen.
Synoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

dagen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord dag
Afgeleide begrippen


Noors

Woordafbreking
  • da·gen

Zelfstandig naamwoord

dagen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van dag


Nynorsk

Woordafbreking
  • da·gen

Zelfstandig naamwoord

dagen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van dag