dagen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈdaχə(n)/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ˈdaɣə(n)/
Woordafbreking
- da·gen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| dagen |
daagde |
gedaagd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
dagen
- (onpersoonlijk) dag worden
- Het daagde al in het oosten toen hij eindelijk in slaap viel.
- (overgankelijk) (juridisch) dagvaarden: de opdracht geven op een bepaalde dag voor het hof te verschijnen
- Hij werd voor de rechtbank gedaagd.
- (onovergankelijk) beginnen te beseffen, beginnen bewust te worden
- Toen begon er iets bij hem te dagen.
Synoniemen
- [1] krieken, licht worden
- [2] dagvaarden
- [3]
Vertalingen
1. dag worden
Zelfstandig naamwoord
dagen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord dag
Afgeleide begrippen
- bezoekdagen, dankdagen, decemberdagen, dierendagen, donderdagen, feestdagen, geboortedagen, herfstdagen, hondsdagen, kerstdagen, kinderdagen, lentedagen, maandagen, marktdagen, naamdagen, regendagen, rustdagen, vrijdagen, werkdagen, winterdagen, zomerdagen, zondagen
Noors
Woordafbreking
- da·gen
Zelfstandig naamwoord
dagen m
- bepaalde vorm nominatief enkelvoud van dag
Nynorsk
Woordafbreking
- da·gen
Zelfstandig naamwoord
dagen m
- bepaalde vorm nominatief enkelvoud van dag
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-d) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Onpersoonlijk werkwoord in het Nederlands
- Overgankelijk werkwoord in het Nederlands
- Juridisch in het Nederlands
- Onovergankelijk werkwoord in het Nederlands
- Zelfstandig-naamwoordsvorm in het Nederlands
- Woorden in het Noors
- Zelfstandig-naamwoordsvorm in het Noors
- Woorden in het Nynorsk
- Zelfstandig-naamwoordsvorm in het Nynorsk