eenheid
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- een·heid
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | eenheid | eenheden |
| verkleinwoord |
eenheid v
- bij elkaar horend geheel.
- Deze mensen werden door deze dreiging tot een eenheid samengesmeed.
- maat waarin hoeveelheden worden uitgedrukt.
- De coulomb is de eenheid van lading.