kalender
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ka·len·der
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig van het Duitse Kalender, wat weer van het Latijnse calendarium afkomstig is.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kalender | kalenders |
| verkleinwoord | kalendertje | kalendertjes |
Zelfstandig naamwoord
kalender m
- (tijdrekening) tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz
- De christelijke kalender, een kalender die tevens de christelijke feestdagen aangeeft.
- lijst van de kerkelijke feesten en heiligendagen
- (tijdrekening) jaartelling volgens de
- Gregoriaanse kalender.
- Griekse kalender.
- Juliaanse kalender.
- gebeurtenissen en activiteiten die volgens een tijdschema gepland zijn
- De politieke kalender.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
- [4] agenda
Overerving en ontlening
Vertalingen
1. tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz.
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Indonesisch
Woordafbreking
- ka·len·der
Woordherkomst en -opbouw
- uit het Nederlands "kalender"
Zelfstandig naamwoord
kalender