goedendag

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • goe·den·dag
Woordherkomst en -opbouw
  • > accusatief van een goede dag: eenen goeden dag

Tussenwerpsel

goedendag

  1. een groet waarbij men iemand toewenst dat de dag goed zal wezen
    "Goedendag" zei hij wat stijfjes en nam plaats in de treincoupé.
Afgeleide begrippen
Vertalingen