morgen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- mor·gen
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | morgen | morgens |
| verkleinwoord | morgentje | morgentjes |
Zelfstandig naamwoord
morgen m
- (tijdrekening) het eerste deel van de dag, na de nacht en vóór de middag
- (verouderd), (landmeetkunde) een oude Nederlandse oppervlaktemaat, die afhankelijk van de streek gewoonlijk iets kleiner dan een hectare was
Synoniemen
- [1] ochtend
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
- [1] avond, dag, etmaal, middag, nacht, namiddag, noen, middernacht, voormiddag
- [2] acre, akker, are, bunder
Vertalingen
1. het eerste deel van de dag
Bijwoord
morgen
- (tijdrekening) de eerstvolgende dag na vandaag
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen
1. de eerstvolgende dag na vandaag
Noors
Uitspraak
Woordafbreking
- mor·gen
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig van het Oudnoorse woord morginn
| Naar frequentie | 172 |
|---|
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | morgen | morgenen | morgener morgner |
morgenene morgnene |
| genitief | morgens | morgenens | morgeners morgners |
morgenenes morgnenes |
Zelfstandig naamwoord
morgen m
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- God morgen!
Goede morgen!