dan

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dan
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: dan
Oudnederlands: than
Germaans: *þan-, *þana-
Indo-Europees: *to-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: then, than (Angelsaksisch: þonne, þanne, þænne), Duits: dann, (Oudhoogduits: danne), Fries: dan (Oudfries: thenne, thanne, than, then)
Noord: IJslands: þá

Bijwoord

dan

  1. een tijdstip in de toekomst
    Het is morgen de twaalfde. Hij zei dat hij dan zou komen.
Vertalingen

Bijwoord

als ... dan

  1. indien
    Als hij niet komt dan moeten we even bellen.
Vertalingen

Bijwoord

anders dan

  1. behalve
    De nieuwe president van Suriname Desi Bouterse is niet welkom in Nederland, anders dan om zijn gevangenisstraf uit te zitten.
Vertalingen

Bijwoord

dan ook

  1. in het geheel, ieder.
    Welk deel dan ook we nemen, de uitkomst is altijd hetzelfde.
    Geen kind dan ook zou daar mee geconfronteerd moeten worden.
Vertalingen

Voegwoord

dan

  1. na een vergrotende trap van een bijvoeglijk naamwoord of van een bijwoord
    Hij is groter dan ik.
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord dan dans
verkleinwoord dannetje dannetjes

Zelfstandig naamwoord

dan m

  1. (sport)graad van behendigheid bij judo, karate enz


Indonesisch

Woordafbreking
  • dan

Voegwoord

dan

  1. en
Synoniemen


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /ðɑn/ ~ /ðæn/ (Etsbergs)

Persoonlijk voornaamwoord

dan m

  1. met hen twee.
    «Ich gaon dan - Wiel èn Baer - oet.»
    Ik ga met hen twee, Wiel en Baer, uit.


Sloveens

Zelfstandig naamwoord

dan

  1. dag


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
dar

dan

  1. derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van dar